Nieuws‎ > ‎

Preek uit de dienst van 28 februari

Geplaatst 8 mrt. 2016 11:32 door Lieneke Hagenaars-Keus
Gemeente,

Het is al weer ruim dertig jaar geleden dat de oorlog om de Falkland eilanden werd gevoerd. Die zijn we intussen mee hierdoor alweer overwegend vergeten, omdat er na die tijd nog veel
andere oorlogen zijn gevoerd, waarin nog veel meer doden zijn gevallen. Nadat die oorlog door Engeland was gewonnen, werd er in een grote kerk in Londen een eredienst gehouden, waarin de  aartsbisschop van Canterbury voorging. In zijn preek legde hij er de nadruk op dat wij dergelijke conflicten moeten proberen te voorkomen. Na afloop schijnt de toenmalige premier van Engeland, Margaret Thatcher, kwaad te zijn geworden, omat de bisschop niet had gedaan wat hij had moeten doen. God danken voor de overwinning.

De eeuwen door hebben mensen de hand van God in de geschiedenis aan het werk gezien. Velen van ons zullen hoofdschuddend daarom glimlachen, allen al vanuit de gedachte waar twee kijven hebben twee schuld. Maar is het ongeoorloofd om God te danken voor bv. De bevrijding zoals we ieder jaar terecht weer doen.
Als je God voor een overwinning dankt, dan kan dat met de bedoeling zijn van: “graag de volgende keer weer!” Als je God voor de bevrijding dankt, dan is dat toch ook met de bede: mag ik die vrijheid nu op de juiste manier gebruiken”.
Je mag die twee “danken voor een overwinning”en “danken voor de bevrijding”ook weer niet helemaal van elkaar scheiden, want aan een bevrijding gaat als onmisbare voorwaarde een overwinning vooraf.

Wat heeft dit nu met het verhaal van de tempelreiniging te maken? In dit verhaal wordt de voorspelling geuit dat de tempel in Jeruzalem het heiligdom voor de joden zal worden verwoest. Dit verhaal, waarin de ondergang van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel wordt verteld, speelt na een oorlog. Na een oorlog van vier jaar is in het jaar zeventig de tempel in Jeruzalem door de Romeinen verwoest,en dat was het definitieve einde van de joodse opstand. Die opstand brak uit nadat Palestina al meer dan honderd jaar door de Romeinen bezet was geweest. In de tussentijd waren er altijd wel opstanden geweest, vooral op het platteland, maar die kregen over het algemeen niet de steun van de bovenlaag van de  bevolking in de steden, vooral in Jeruzalem, daar had men zich aangepast en schatte men in dat een opstand niet te winnen was en in een bloedbad zou eindigen. Maar op een gegeven moment kregen degenen die in opstand wilden komen de meerderheid van de bevolking mee. Maar men was niet opgewassen tegen de militaire macht van de Romeinen. Wat toen onder de joden veel kwaad heeft gezet was dat de christenen onder hen niet meededen aan de opstand.
Het is trouwens de vraag of dat wat de afloop betreft veel verschil zou hebben gemaakt. Men schat het aantal christenen in Palestina in die tijd op nog geen vijfduizend op het geheel van tegen een miljoen joden in Palestina.. Veel belangrijker was dat de meer dan vijf miljoen joden buiten Palestina ook niet te hulp zijn gekomen. De joden vormden toen een grote minderheid binnen het Romeinse rijk met tien a vijftien procent van de bevolking, die over het hele Romeinse rijk verspreid waren, en op verschillende plaatsen bij elkaar woonden.
Dit bij elkaar wonen was- evenals bij ons voor allochtonen- voor hen belangrijk, want alleen zo konden ze hun identiteit als joden bewaren. Als de vele joden in de verstrooiing te hulp waren gekomen, dan was de zaak misschien anders gelopen.
Als je nu vanaf een veilige en grote afstand daarop terugkijkt, dan mag je waarschijnlijk zelf bedenken. Het is menselijk volkomen begrijpelijk dat men daaraan is begonnen, maar het berustte kennelijk op een verkeerde inschatting van de situatie.

Zo keken de christenen er na de verwoesting van de tempel niet tegenaan. Die zeiden tegen de joden: dit is de verdiende straf van God voor het feit dat jullie je niet bij ons hebben willen aansluiten. Daarmee zeiden ze iets wat in die tijd heel gewoon was: Als je voorspoed had dan was dat het bewijs dat God je zegent, en als je tegenspoed had,dan was dat een straf van God.
Niet iedereen zei dat, er waren toen ook mensen die daar genuanceerder over dachten. Als u de bijbel een beetje kent, dan kunt u denken aan de schrijver van het boek Job.

De evangelist Johannes weerspreekt deze theorie niet, maar geeft er wel een beetje zijn eigen draai aan. In de andere evangeliën staat dit verhaal op het einde, in de zin van: nadat de mensen al die tijd niet naar Jezus hebben willen luisteren, raakt het geduld van Jezus op.
Johannes plaatst het aan het begin en suggereert daarmee: waar Jezus komt, waar over Jezus wordt verteld,daar wordt eerst eens grondig schoon schip gemaakt. Dat mogen we dan op onszelf betrekken.

Zoals de joden in dit verhaal op Jezus reageren, zo zouden wij dat waarschijnlijk ook doen.
Als iemand onze kerk binnen zou stappen en met een zweep iedereen eruit zou willen jagen, dan zouden wij ook zeggen: “Wie bent u, en waar haalt u het recht vandaan om hier zo op te treden.?”Dat is een alleszins redelijke eis, dat iemand zich kan legitimeren. Wat men in die tijd dan als legitimatie beschouwde, was dat iemand een wonder kon doen, want daaruit zou dan blijken dat God met hem is. Wij stellen een eis, waarvan wij misschien wel denken :
“Als daaraan kan worden voldaan, dan is het wel een wonder”. De eis die wij aan zo iemand zouden stellen is”Toon eens even aan dat jij zo veel beter bent dan wij!”Dat kan niemand bewijzen, want is het niet op dit punt, dan wel op een ander punt waarop die door de mand valt. Deze eis is het middel om lastige mensen de mond te snoeren.

Jezus geeft op die eis van :Doe eens een wonderteken om je te legitimeren, een wat raadselachtig antwoord. Dat antwoord was al voorbereid door de evangelist die de leerlingen van Jezus heel anders laat reageren dan de andere mensen, dan de handelaren in de tempel. Zij moeten, als ze Jezus dat zien doen, denken aan een Bijbeltekst: “De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd”.Zo reageren wij niet, dat we in een onverwachte situatie meteen een Bijbeltekst bij de hand hebben. We hebben eerder het idee dat is iets voor rechtzinnige mensen, die schiet altijd wel een tekst te binnen. Daar mogen we best eens wat genuanceerder over denken: die rechtzinnigen zijn niet zo achterlijk als wij veronderstellen dat ze zijn.
Wat belangrijker is: de tekst waaraan de discipelen in het verhaal moeten denken, dat is toch een tekst die hier alleszins toepasselijk is: “De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd !”
Nou, de discipelen zie in Jezus dus die man die het helemaal om God en om Gods zaak gaat, en dan begrijpen wij heel goed dat Jezus het gewoon niet pikt als mensen gewoon willen verdienen aan God. Maar we kunnen het natuurlijk niet laten om als we mensen zo voor God zien ijveren om onze kritische vragen te stellen: Gaat het jou werkelijk alleen maar om God of ook om je eigen gelijk? Een kleine honderd jaar geleden was er een theoloog die het gevoel had:”we praten in de kerken veel te veel over onszelf en veel te weinig over God”. Daar wilde hij een einde aan maken en de man was in de vorige eeuw inderdaad zo’n veertig jaar een toonaangevend iemand. Op een gegeven moment schreef iemand een waarderend boek over hem,, maar maakte daarin wel de nuchtere opmerking: “Met zijn uitroep: het gaat om God, het gaat om God!-vestigde hij wel de aandacht op zichzelf., want hij was het die dit- in tegenstelling tot vele anderen- zei!”
Jezus reageert in dit verhaal trouwens nog veel feller op de mensen dan die theoloog die vond dat er in de kerken te weinig over God werd gepraat. Als je met een zweep de mensen de kerk uitjaagt, dan is dat niet een uiting van onvrede of kwaadheid, maar gewoon van woede. Woedend worden we allemaal wel eens, dat kan zo maar gebeuren- maar durven we van onszelf te zeggen dat we uit naam van God woedend op anderen worden? Vinden wen mensen die uit naam van God woedend worden niet gewoon griezels?
Jezus is die mens die uit naam van God woedend kan en mag worden, want Hem gaat het niet om zijn persoonlijk gelijk, Hem gaat het erom dat wij mensen voor God worden. En dat worden we in de gemeente, die meer is dan een club die graag wil blijven voortbestaan.

De evangelist heeft zijn verhaal heel kunstig opgebouwd. De tekst”De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd” is niet zo maar een willekeurige tekst die de discipelen bij het hardhandige optreden van Jezus in de tempel te binnen schiet.. Dat is een tekst uit een psalm waarin de dichter zijn nood aan God klaagt, omdat vijanden hem naar het leven staan. Die psalm hebben de eerste christenen op Jezus betrokken. Als de evangelist zegt dat de leerlingen van Jezus aan die regel uit die psalm dachten toen Jezus de handelaren uit de tempel dreef, dan suggereert hij daarmee: Jezus wist op dat moment dat dit to zijn dood zou leiden. En dat maakt ook de reactie van Jezus op de eis van de handelaren, die willen dat hij zich met een wonder legitimeert, begrijpelijk.:”Breek deze tempel af en ik zal die in drie dagen herbouwen” De handelaren denken dat Jezus hier een stunt wil uithalen en een tempel over de bouw waarvan men 46 jaar heeft gedaan, binnen drie dagen wil herbouwen. Maar de leerlingen van Jezus begrijpen achteraf dat Jezus daarmee heel iets anders bedoelde: het wonder waarom jullie vragen dat ben ik zelf.

En waarin bestaat nu het wonder dat Jezus zelf is? De evangelist nodigt ook ons uit om daarover na te denken. Dit is iets waarover we als christenen nooit uitgedacht raken. Op de vraag: “Wie is Jezus?”, geven we als het goed is, niet een geliefd standaard antwoord.
“Natuurlijk de Zoon van God”of “Natuurlijk de meest ideale mens, ons grote voorbeeld!”Maar als we over de verhalen in de evangeliën nadenken, dan zeggen we het ook telkens net weer iets anders. De evangelist zegt dat de leerlingen zich pas later herinnerden wat de bedoeling van Jezus woorden was. Wij lezen de verhalen over Jezus ook pas veel later en proberen daaruit af te lezen wie Jezus was, wat Gods bedoeling met Jezus was.
Dan vragen we ons ook af wat onze bedoeling is met de lievelingsantwoorden die we zo geven. Als we Hem de Zoon van God noemen, promoveren we Hem dan, om zo te zeggen weg? Als we hem “de meest ideale mens”noemen, kapselen we Hem dan in- want we doen toch allemaal ons best om een goed mens te zijn- en complimenteren we Hem dan dat het Hem beter is gelukt, dan ons?
Jezus is die mens die uit naam van God woedend kan en mag worden, want Hem gaat het niet om zijn persoonlijk gelijk, Hem gaat het erom dat wij mensen voor God worden en dat worden we in de gemeente, die meer is dan een club die graag wil blijven voortbestaan.
En dan leren we van Jezus, dus van die man die zo van God vervuld is dat hij zelfs woedend mag worden uit naam van God.

We zijn als gemeente van Jezus op een bijzondere manier in de kerk bij elkaar. Maar die kerk moet inderdaad de plaats, het middel zijn om God te zoeken, en niet de plaats waar we uit zijn op ons persoonlijk voordeel. In de kerk realiseren we ons dat we het lichaam zijn van de levende Christus. De kerk gaat ons ter harte, vandaar dat we in deze tijd waarin we de wind niet mee hebben pogingen doen om de kerk overeind te houden. Als we dat met moderne middelen via de professionele reclame- dan is dat best, zolang we ons realiseren: de kerk is niet meer dan een middel om in God te geloven die in Jezus tot ons komt. Jezus hanteert de zweep als het in de kerk om onszelf. Als we niet beseffen dat we in de kerk in dienst van God staan. Die dienst betekent niet in de eerste plaats dat we ons uitsloven. De vroege christenen trokken de aandacht van de buitenwacht door de manier waarop ze met elkaar omgingen. Ze waren kleine groepen, die anders met elkaar leefden dan anderen. Zij geloofden dat zij het lichaam van Christus waren. Zij wilden samen in vreugde voor Gods aangezicht leven, als het lichaam van Christus. In Hem openbaart God zijn heerlijkheid, die een glans op ons leven doet vallen. Het leven waarin we ontdekken dat Gods bestraffende woord onze ogen wil openen voor die vreugde die we met elkaar mogen beleven.
                                                                                                   Amen.

Comments