Overdenkingen

Pinksteren 2015

Geplaatst 27 mei 2015 12:47 door Lieneke Hagenaars-Keus

Handelingen 2:1-21  /  Johannes 15: 26-27; 16:4b-16
De Paastijd is voorbij. Vandaag is het Eerste Pinksterdag, de dag die wordt gevierd als een liturgisch keerpunt waarop de kerk nieuw leven wordt ingeblazen. 

Vandaag is het een traditie, eigenlijk zelfs een verplichting, om voor te lezen uit het boek Handelingen van de Apostelen, beschreven door Lucas. En ik heb het niet kunnen opbrengen daarvan af te wijken, dus u hebt het bekende verslag weer gehoord van de uitstorting van de Heilige Geest zoals die toentertijd werd aangekondigd – of beter gezegd: zoals het de apostelen raakte, de discipelen van Jezus die met z’n allen bijeen waren gekomen om in hun rangen een plaatsvervanger te benoemen voor Judas, die na zijn schandelijk verraad inmiddels van het toneel was verdwenen. 

Over toneel gesproken, ik weet niet of u de laatste voorstelling van theatergroep De Appel heeft gezien in Scheveningen: “Zie de Mens”. In dit stuk wordt een klemmend beeld geschetst van Jezus als mens, en niet zo zeer als de Zoon van God. De mens Jezus met zijn volgelingen, die om uiteenlopende redenen behoorlijk fanatiek of in sommige situaties zelfs enigszins recalcitrant kunnen zijn. In ieder geval levert dit veel heftige scènes op, en toen ik begon aan de voorbereiding van deze dienst probeerde ik mij voor te stellen wat de tekstschrijver ervan gemaakt zou hebben als hij ook de uitstorting van de Heilige Geest in zijn opvoering zou hebben opgenomen. Het zou er in ieder geval verre van rustig zijn geweest, want zelfs in de Bijbel kunnen we lezen dat er toen flinke paniek uitbrak bij de aanwezigen in dat huis waar de leerlingen zich hadden verzameld.  

Maar goed, De Appel heeft het niet op het toneel gebracht, dus is het zaak om mijn eigen interpretatie te lanceren. 

In de eerste plaats moest ik even denken aan een jonge collega destijds in Engeland, die behalve zijn geestelijk ambt ook een bijbaantje had bij de vrijwillige brandweer.

Op een avond werd hij plotseling opgeroepen. Hij stapte in zijn auto en reed met een flitsende snelheid keihard weg.

Al gauw kwam er een politieauto achter hem aan met zwaailichten. Bij de eerste stoplichten werd hij aangehouden. De agent vroeg hem sarcastisch: “Well, Sir? Where’s the fire? – Waar is de brand dan?”

Zonder enige aarzeling gaf de jonge predikant het adres op waar brand was uitgebroken, waarop de agent enigszins verbouwereerd reageerde met: “Oh, nou OK, volgt u mij dan maar!” 
Zo zie je maar weer: eerlijk duurt het langst!

“Where’s the fire” – Waar is de brand dan? In het Engels is ‘Where’s is the fire’ een eufemisme dat op verschillende manieren kan worden gebruikt.

Onze politieagent wilde zeggen “En wáár moeten we dan wel zo snel naar toe?” 

Anderen bezigen deze uitdrukking als ze zich afvragen waar al die opwinding nou voor nodig is.

En je kan dezelfde brandvraag ook enigszins verbaasd stellen: “Where’s the fire? Wat is er toch met je enthousiasme gebeurd – waar is je energie gebleven?” 

Elk van deze drie vragen kan betrekking hebben op Pinksteren en zou terecht kunnen worden gesteld aan iedereen die beweert tot Gods kerk te behoren. 

Want als we de tekst van vanochtend uit Handelingen natrekken, dan zou de vraag ”Hé, waar is dan die brand?” op alle drie fronten best wel eens op onszelf kunnen slaan.  

Waar is de brand? 
We lazen het: “Er verschenen aan hen – de apostelen – een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten – en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen”.  

Dit deden ze zó hartstochtelijk en met zó veel opgeklopte emotie dat omstanders dachten dat ze dronken waren. Dat bedoelde ik toen ik zei dat het daar verre van rustig toeging.

Ze brachten hun boodschap driftig en impulsief. Iedereen moest erin delen! 

Ze spraken met stemverheffing en straalden gezag en autoriteit uit.

Hun woorden waren onstuimig en intens gepassioneerd. 

Dan kan het toch geen kwaad als we even stilstaan en ons vanochtend afvragen: “Waar brandt het vuur nu dan, in onze eigen tijd?” 

Laten we eerlijk bij onszelf te rade gaan. Wat is er bij ons nog over van die dringende urgentie van de eerste ontvangers van deze goddelijke inspiratie?  Gaan we er vandaag de dag nog steeds van uit dat geloof en onze diepste gevoelswaarden een kwestie van leven en dood zijn?  Zijn we overtuigd van een eeuwig leven? 

In een wereld waar alom twijfel heerst, geloven we dat God het beste voor heeft met de mensheid? Het zijn vragen die ons bezig houden.

Als je kijkt naar de vroege kerk, dan heerste er de stellige overtuiging dat Christus spoedig weer op aarde zou terugkeren. Daarom stond je onder grote druk om zo spoedig mogelijk met God in het reine te komen. Het Christelijk geloof was toen inderdaad een kwestie van leven of dood!

Vandaag ligt dat anders. We zijn er niet meer zo zeker van dat een terugkeer van Jezus Christus imminent is. Verder leven we in een wereld die wel héél anders is dan het koninkrijk dat God ons in de Heilige Schriften heeft toegezegd. 

We zijn omringd door grove voorbeelden van onrecht, economische ongelijkheid, wijdverspreide armoede, wantoestanden en besmettelijke ziektes, honger, natuurcatastrofes – en terrorisme. 

We leven in een gewelddadige en onvoorspelbare wereld. 

Er is in onze wereld enorme behoefte aan liefde, vriendschap, vrede, medeleven, genezing, vergiffenis en verzoening.

Gods boodschap van vergeving, verlossing, genezing en liefde is vandaag nog net zo belangrijk als het ooit geweest is. En wat is er tegenwoordig dan over van die brand? Van ons vuur en onze vlam? Van ons enthousiasme en overtuiging?

We zeggen dat wij de Heer onze God liefhebben met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met geheel ons verstand. 

Waarom laten we dat niet telkens duidelijk merken en weten? Waar is de brand, het vuur, de vlam? Het enthousiasme? 

De verhalen die wij over Jezus in de Bijbel lezen noemen we “goed nieuws”. Maar zo goed kan het toch niet zijn als we het niet met anderen delen? Zodra we ergens goed nieuws, profaan nieuws horen willen we dat direct met onze vrienden en met onze omgeving delen. Het is heerlijk om goed nieuws door te vertellen. Dat kan spannend zijn. Of inspirerend. Goed nieuws kan anderen emotioneel raken. Goed nieuws komt goed over op wie het te horen krijgt. 

Waar ligt het probleem dan? Waarom spreken we dan zo weinig met anderen over ons geloof? Er zijn steeds minder mensen, jong of oud, die voldoende basiskennis bezitten over de Bijbel. Dan zouden we daar toch over moeten praten? En daar hoef je echt geen wetenschapper of theoloog voor te zijn. Ook is het zeker niet nodig om het tegen wil en dank bij nietsvermoedende luisteraars in te stampen. Het enige wat van belang is, is de bereidheid om met anderen je geloof te delen, delen wat het voor jezelf betekent. Een paar verhalen of ervaringen uit te leggen. 
Waar is ons enthousiasme, vuur en vlam gebleven? 
 
Wat ik nu zeg is overigens van algemene aard en zeker niet persoonlijk tegen u bedoeld. Bovendien is er een campagne geweest op de radio waar juist de Remonstranten mensen hebben uitgenodigd om contact met de broederschap op te nemen, te komen luisteren, van gedachten te wisselen, een persoonlijke invulling te zoeken in geloof en vertrouwen. Dat is al een belangrijke stap vooruit!

Maar om nog even in algemene termen terug te komen op mijn boodschap van vanochtend: kunnen we werkelijk zeggen dat we net zo overtuigend leven en optreden als de discipelen destijds?

Moeten we op deze Pinkstermorgen misschien niet een gebed uitspreken dat ook hier, in ons samenzijn, uit de hemel een geluid moge klinken als van een hevige windvlaag dat deze hele kerk vervult? Dat er een soort vlammen verschijnen, die zich als vuurtongen verspreiden en op ieder van ons neerzetten?

Daar moeten we wel voorzichtig mee zijn, want het zou best kunnen dat God ons gebed verhoort! En dan hebben we te maken met veel meer dan alleen maar een warm, prettig gevoel. 

Dan zouden we inderdaad een nieuwe weg inslaan en de wijde wereld in onze getuigenis laten delen!

Als antwoord op de vraag: “Waar is de brand?” is het duidelijk dat wij dan zowaar zelf in vuur en vlam staan.

Ik nodig u uit hier nog eens even over na te denken, als onze organist Jan van den Bergh voor ons op het orgel speelt.   



Een nieuw begin

Geplaatst 26 jan. 2015 04:30 door Website Manager

Onderstaande overweging werd door ds. Eric Cossee uitgesproken op 11 januari, de eerste dienst van het nieuwe jaar 2015. De recente terroristische aanslagen appelleren aan een oerangst, die de mensheid al kent sinds onheuglijke tijden. Een oerangst, gevoed door natuurrampen, oorlogen en geruchten van oorlogen. Het zondvloedverhaal (Genesis 6, 7 en 8) leert ons hoe deze oerangst te boven te komen. Het getuigt van een onblusbaar geloof in een nieuw begin.

Een nieuw begin (Openbaring 1:5a)

‘Een nieuw begin’. Het is de titel van de plastiek die hier voor U op de Avondmaalstafel staat.
Een fraai bronzen kunstwerkje dat ik van vrienden bijna zes jaar geleden bij mijn afscheid van Rotterdam mocht ontvangen. Zij gunden ons een nieuw begin: niet meer werken, meer tijd voor jezelf, leuke dingen gaan doen. Maar de motor draaide nog een aantal jaren door; ook het werken in deeltijd bleef mijn volle aandacht vragen. Bovendien slokten familieproblemen al onze energie op met alle vragen van vroeger die daarmee weer boven kwamen. Een nieuw begin, hoezo een nieuw begin? Bestaat dat eigenlijk wel, een nieuw begin, blijven wij niet altijd door duistere banden aan ons verleden gekluisterd? Als wij inderdaad ‘ons brein zijn’ dan is volgens Dick Swaab heel ons doen en laten al sinds de baarmoeder vastgelegd.

Toch willen wij mensen daar niet aan. Wij blijven zoeken naar een nieuw begin. Ons leven kan toch niet opgaan in een herhaling van zetten? De Bijbel getuigt veelvuldig van de mogelijkheid van een nieuw begin. Het leven dat terugkeert na de zondvloed. Het volk Israel dat het beloofde land binnentrekt. De profeten die getuigen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, de evangelist Johannes: ‘in den beginne was het Woord’, de apostel Paulus: ‘zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping’, de Openbaring: ‘zie ik maak alle dingen nieuw’. Voor wie werkelijk kan geloven, lijkt de mogelijkheid van een nieuw begin bestaanbaar, maar wat te doen als het geloof ‘uit je leven is weggesijpeld’? 

In zijn fascinerende boek Ararat stelt de schrijver Frans Westerman zich de vraag waarom de godsdienstigheid van zijn jeugdjaren ‘uit zijn leven is weggesijpeld’. Hij schrijft: ‘Het weten, waarmee ik me graag had laten injecteren was gaan werken als een serum tegen het geloven; toch ben ik geen atheist’. Wel brak hij bewust met de kerk. Na lezing van het Gilgamesj-epos, waarop ‘ons’ zondvloedverhaal mede is geïnspireerd, had hij ‘met terugwerkende kracht’ de dominee bij wie hij belijdenis deed, ter verantwoording willen roepen. Eigenlijk had hij maar een vraag: welke autoriteit bezit het Woord van God als dat een bewerking is van heidense teksten? Westerman was kwaad en teleurgesteld.

Toch laat de vraag naar de verhouding van religie en wetenschap hem niet los. Bij een van zijn vroegere leermeesters krijgt hij een boek in handen, getiteld De zondvloed – in het licht van de Bijbel, de geologie en de archeologie. Ofschoon zijn oude leermeester dit boek afdoet als het werk van een godsdienstfanaat die de wetenschap dwarsboomt, laat Westerman De Zondvloed als een kostbare buit in zijn tas glijden. Zouden de resten van de ark van Noach, die naar Genesis 8 op de berg Ararat is vastgelopen alsnog de historiciteit van dit verhaal kunnen ‘bewijzen’? Of dienen wij Bijbelverhalen op een andere wijze te verstaan? Westerman besluit de Ararat ooit te gaan beklimmen, als een manier om zich ervan te vergewissen of de ratio de enige mogelijkheid is om op te vertrouwen als het er op aankomt.

Intussen is Westermann vader geworden van dochtertje Vera. Sinds hij zich aan het schrijven is gaan wijden, heeft hij een groot ontzag gekregen voor het woord (met een kleine letter). Ik citeer: ‘Als ik mezelf een biecht kon afnemen, zou ik toegeven dat ik mijn heil was gaan zoeken in het woord (zonder hoofdletter) en niet meer in het Woord. […] Ik kon me vinden in Johannes 1:3, als je tenminste de hoofdletter wegdacht: “Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is”. In het paradijs had Adam namen mogen geven aan het vee, het gevogelte des hemels en het gedierte des velds: dit hoorde bij het scheppingsverhaal. Benoemen was scheppen. Herbenoemen herscheppen’. Einde citaat. 

Westerman beschrijft dan, hoe hij ademloos luisterde toen zijn dochtertje Vera haar eerste woordjes begon te brabbelen. In een schrift hield hij het verloop bij van haar uitingen in taal, om dichter bij de bron van de woorden te komen. Zijn fixatie op het woord bracht hem ook terug bij de Bijbel zelf. Bij herlezing was hij minstens zo onder de indruk als vroeger, met dit verschil: hij was de Schrift gaan lezen als literatuur. Hij komt dan tot de ontdekking dat ‘taal geen geschikt instrument [is] om de ingewanden van het mysterie bloot te leggen – een pen is geen scalpel. Door te schrijven kon je de reikwijdte van de menselijke kennis […] ontstijgen. Je kon er het raadsel mee vergroten, of er ontzag voor opwekken’. Einde citaat.

Welnu, dat laatste heeft Westerman met zijn boek Ararat gedaan. Met virtuositeit en eruditie beschrijft hij de betekenis van de Ararat door de eeuwen heen voor de omringende culturen. Adembenemend is hoe hij de uiteindelijke beklimming – op 60 meter na – heeft volbracht. De top werd wel gezien maar niet bereikt, wilde de ploeg beklimmers een opkomende sneeuwstorm voor zijn om de weg nog terug te kunnen vinden. Maar wat het boek op bijna iedere bladzijde ademt, is ontzag voor het mysterie dat leven heet. In die zin is het wel een religieus boek geworden, al geeft ’t het geloof van vroeger niet terug. Dat is ook niet de bedoeling geweest. Het boek is een zoektocht naar wat er overblijft als de godsdienstigheid uit je leven is weggesijpeld.

Westerman heeft in zijn fascinerende roman doorvorst wat er doorvorst kan worden. Hij is langs de grenzen van de wetenschap gegaan. Uiteindelijk is het de taal, het woord, dat hem helpt de wetmatigheden van de wetenschap te ontstijgen in een ontzag voor het levensmysterie. Het geloof van zijn kinderjaren heeft hij afgezworen. Er is iets nieuws voor in de plaats gekomen: verwondering en ontzag. Ontzag ook voor de scheppende kracht van de taal, van het woord met kleine of grote letter. In de ontwikkeling van zijn dochtertje Vera, haar gebrabbel en haar eerste woordjes heeft hij werkelijk een nieuw begin ervaren. Zo is ook voor ons het gekraai van kleinzoon Stijn een verzoening met een soms pijnlijk verleden en een voorbode van een beloftevolle toekomst.

Dat nieuwe begin, die scheppende kracht van het woord, is voor mij het grootste wonder dat wij steeds opnieuw in de Bijbel tegenkomen. Beelden kunnen daarbij ondersteunend zijn. Zo is dat beeld van de duif met de olijftak uit Genesis 8 symbolisch geworden voor het nieuwe leven dat doorbrak na de vernietiging van de zondvloed. Een symbool dat de doopsgezinde vredesgedachte diende, maar ook in een stad als Rome, die boordevol is van symboliek, kom je steeds het duifje met het olijtaksken tegen. Toen ik daarover mijn ontroering uitte aan mijn vrouw, kwam zij met de prozaische mededeling dat dit het familiewapen van paus Innocentius X is, die overal zijn belangrijkheid in kerken en paleizen, fonteinen en wat al niet meer zo nodig vertoond wilde zien. 

Hoe dan ook, de duif met de olijftak staat voor een nieuw begin. De fraaie plastiek die hier voor ons staat toont ons weliswaar de mens, die zich hoopvol uitstrekt naar een nieuwe toekomst, maar iets van het olijftakje ontbreekt ook hier niet. De andere boog van dit beeldje, die de mens houvast biedt in zijn reiken naar nieuwe mogelijkheden, vertoont de vegetatieve symbolen van een takje, met bladnerven en al. Wat een geluk dat een beeld tot ons gaat spreken, als het ons verwijst naar ervaringen van een nieuw begin. Die weg blijft altijd openstaan, want God heeft de mens ‘aan het woord doen komen, om tussen werkelijkheid en dromen, getuige van zijn Geest te zijn. / Door een geheimenis omsloten, / door alle dingen uitgestoten, / gaat hij op alle dingen in. / Alleen Gods woord geeft aan zijn falen, / zijn rustloos zoeken en verdwalen / een onuitsprekelijke zin’. 

Amen.

Overweging

Geplaatst 26 jan. 2015 04:10 door Website Manager

Handelingen 2:1-11  /  Johannes 20:19-23
Met de pinksterdienst zijn bovenstaande schriftlezingen gebruikt. De overweging van predikant Ds C. Bakker  gaat hierop verder

Laten we beginnen met het Evangelie. In Johannes lazen we over de verschijning van Jezus aan de tien discipelen. Ze zaten met z’n allen bij elkaar, achter gesloten deuren, want er waren voor deze leerlingen, deze apostelen, de laatste tijd aangrijpende en verbijsterende dingen gebeurd. Maar al zit je achter gesloten deuren, dat garandeert niet automatisch dat je daar dan rustig en veilig bent. Ze waren doodsbenauwd voor de plaatselijke/Joodse bevolking en hun gezaghebbers. Ze hadden de ellende van Golgotha achter de rug: de kruisiging. De discipelen waren écht bang – ze stonden duizend angsten uit. Ze waren panisch.

Paniek en angst behoren tot de meest onaangename emoties die wij kennen. Ons leven zit vol met kleine angstgevoelens en ook vaak grotere fobieën, benauwdheid of zorg. We hebben er allemaal wel eens mee te maken.

Angst is funest. Het kan de ontwikkeling van kinderen nadelig beïnvloeden, het hindert jongeren voor wie het op allerlei gebied wel eens een struikelblok is, en ook ouderen worden dikwijls onzeker door bangheid en verontrusting. 

Angst is dreigend. Angst is wijd verspreid. Je vindt het eigenlijk overal. We zijn bang om onze ouders teleur te stellen. We zijn bang om voor examens te zakken. We zijn bang dat we in de steek worden gelaten. We zijn bang dat we onze baan kwijtraken. We zijn bang wat anderen van ons zullen denken of zeggen. 

Ons taalgebruik zit dan ook vol met woorden zoals bezorgdheid, stress, spanning of ongerustheid. Overigens is er niets mis mee om af en toe wat bezorgd of minder zeker van jezelf te zijn, maar het gevoel van angst of twijfel moet dan wél een gezonde reden hebben. 

Het is niet goed als we zo maar, zonder duidelijk aanwijsbaar bewijs of afweging, angst voelen opkomen die ons geluk ondermijnt – die een schaduw werpt op alles wat we doen – die onzekerheid en twijfel met zich meebrengt. We hebben een houvast nodig, en daar wil ik in deze overdenking naartoe werken!   

Voorlopig zaten dus de overgebleven volgelingen van Jezus achter gesloten deuren, bang en onzeker, in de vurige hoop dat niemand hun schuilplaats zou ontdekken. Ze schaamden zich en hadden zich – zo dachten ze – te schande gemaakt vanwege hun omgang met Jezus, die als een ordinaire misdadiger ter dood was gebracht. 

Bang dat zij hetzelfde lot zouden ondergaan als hun Meester, hielden ze nerveus hun oren gespitst op iedere mogelijke voetstap op de trap, zaten ze benauwd te wachten tot er misschien op de deur zou worden geklopt – tot ze vervolgens zonder verhoor zouden worden geëxecuteerd! 

En toen verscheen plotseling Jezus in hun midden. Hij maakte zich kenbaar door zijn handen en zijn zij te tonen, waar de verwondingen van zijn kruisiging zichtbaar waren. De stemming sloeg subiet om. De leerlingen waren blij hun Meester weer te zien. Bij herhaling zei Jezus tot hen: “Ik wens jullie vrede!” en daarna sprak hij de woorden die voor ons vandaag van zo groot belang zijn: “Ontvang de Heilige Geest.” 

“Ontvang de Heilige Geest!” Daar lazen we over in Handelingen. De Heilige Geest. De dag van het Pinksterfeest was aangebroken. Nú is het Pinksterfeest een Christelijke feestdag. Wat was het in de tijd van Jezus? Wat voor Joodse feestdag was het toen?

De fysieke verlossing uit de slavernij en de eenwording van het Joodse volk wordt herdacht tijdens hun Pésach – ons huidige Pasen. Zeven weken later wordt dan het Sjavoeoth gevierd – dat is dus qua tijd te vergelijken met de Pinksterviering in onze christelijke kerken. Pentecost. Vijftig dagen later ……..

Zoals we samen hebben gezongen in het laatste couplet van ons openingslied, wordt Sjawoeot ook wel het Feest van de Eerstelingen genoemd; en wel omdat het een oogstfeest is waarbij de eerste vruchten van de zeven landbouwproducten naar de Tempel werden gebracht: tarwe, gerst, druiven, vijgen, granaatappelen, olijven en dadels – als het goed is zijn ze dat alle zeven! 

Maar er is meer aan Sjavoeot dan alleen maar de oogst. Als geestelijk onderdeel van het feest staat n.l. ook centraal de herdenking van de Openbaring: God die zichzelf vertoont op de berg Sinaï, en de viering van het Verbond tussen God en Israël. 

Als u hier meer over wilt weten, dan kan ik u aanraden in het Oude Testament het boek Ruth na te lezen. Het is een charmant, kort en pastoraal verhaal, waarin staat beschreven hoe deze jonge weduwe, Ruth, afkomstig uit het nogal immorele volk van de Moabieten, niet alleen in Israël ging wónen. Zij trouwde bovendien met een prominente Hebreeër. En alsof dat nog niet genoeg was werd ze ook nog eens de overgrootmoeder van Koning David – dus een voorouder van Jezus!   

Hier zien we een illustratie van Gods immense en onfeilbare genade. Ruth had veel gedaan dat niet door de beugel kon. Bovendien was zij een vreemdeling. Maar toen zij zich oprecht tot God wendde, nam Hij haar genadevol aan, vergaf haar verleden en verwijderde de vloek die op haar hing. Niet alleen aanváárdde God haar, maar Hij schakelde haar ook in en gebruikte haar alsof ze altijd al een Israëlitische was geweest. Het was alsof haar verleden niet bestond. Enfin – leest u het nog maar eens na!

Destijds, 2000 jaar geleden – net als ook nog vandaag – vierden de Joden hun Sjavoeot dus op het moment waarop wij, met een wat andere betekenis, in onze Christelijke kerken Pinksteren herdenken. En, zoals we lazen, Sjavoeot bracht de discipelem in Jeruzalem samen.  

Toen kwam de uitstorting van de Heilige Geest zoals het in Handelingen staat beschreven. En die gebeurtenis maakte een eind aan de angst en paniek van de discipelen. 

We hoorden het: de komst van de Heilige Geest werd ervaren als een forse bries en vlammen. En dat transformeerde wat op dat moment niet meer was dan een stelletje bange onderduikers tot een waardevolle en eerbare groep die in verschillende talen het wonderbaarlijke werk van God ging verkondigen.


Die verkondiging ging niet zonder de nodige verrassingen. Verbaasd luisterde de op het marktplein aangestroomde menigte – verbaasd dat deze bedeesde, nogal bang uitgevallen volgelingen van Jezus, plotseling eloquent en krachtig hun boodschap begonnen te  verkondigen. Op die dag, zoals ik bij het begin van onze dienst al zei – op die dag begon de kerk daadwerkelijk met de verbreiding van het Christendom en met haar missie!

Pinksteren roept ons op om na te gaan hoe belangrijk de Heilige Geest in ons eigen leven is. Welke rol het speelt. 

We weten dat we de geest en een vitale inspiratie van God ontvangen als wij deelnemen aan de sacramenten, b.v. bij het Heilig Avondmaal. Maar het is belangrijk je te realiseren dat niet iedere activiteit en invloed van God zich alleen maar manifesteert bij zulke speciale gebeurtenissen. 

Onze God, onze Eeuwige, is evengoed een God voor het gewone dagelijkse als voor het bijzondere.

Het is trouwens niet per se noodzakelijk om naar een kerk te gaan of tussen andere gelovigen te zitten om de werking van Gods Heilige Geest ter plaatse te ervaren. 

God is net zo goed actief of aanwezig op onze werkplek of thuis in ons leven van alle dag. En ook hoeven we in dit verband niet altijd een directe lijn met God te voelen. We kunnen ook voor God als een doorschuifluik functioneren. Daarmee bedoel ik dat we zonder speciale bedoeling of opzet iets zeggen of doen dat voor een ander, die dat hoort of ziet, van doorslag-gevend belang blijkt te zijn. Een onbedoelde inspiratie? Ja, eigenlijk wel. Daarom vind ik het ook zo kenmerkend dat in het Engels of Frans gesproken wordt van Holy Spirit en Esprit Saint. Spirit en esprit: daar zit de stam van inspiratie in ……..

De Geest van de levende God werkt eigenlijk banaal, zonder ophef. Hulp bieden b.v. aan leden van de gemeente die om een of andere reden aan huis zijn gekluisterd. Aandacht besteden aan oudere buren. 

Ja iedere vriendendienst past daarin, hoe bescheiden het ook moge lijken te zijn. De Geest van God werkt als we trouw zijn in ons huwelijk; medelijden en troost bieden aan hen die rouwen; jongeren helpen als ze steun nodig hebben. U kunt er zelf talloze voorbeelden aan toevoegen. En als u goed rondkijkt en daarvoor open staat kunnen we God ook terugvinden in andere culturen – niet alleen maar in onze Christelijke samenleving.     

Samenvattend wil ik concluderen dat Pinksteren, Pentecost, niet alleen maar een mysterieus evenement is geweest dat 2000 jaar geleden heeft plaatsgevonden toen de kerk zoals we haar nu kennen haar oorspronkelijke oprichting begon.

Pinksteren is een zeer persóónlijk evenement dat ons oproept om naar voren te treden als getuigen. Getuigen voor God en voor zijn Zoon Jezus – voor wat hij voor ons heeft gedaan en nog steeds betekent. 

Het is belangrijk dat wij ons laten leiden op onze aardse reis. Wij zijn op weg. We zijn pelgrims, zoals we dat plegen uit te drukken. En op onze pelgrimstocht worden we geconfronteerd met struikelblokken en problemen, die de neiging hebben ons te laten verdwalen en de weg kwijt te raken als we de juiste leiding niet hebben – of niet bereid zijn die te volgen.  

Ik wens u kracht en inspiratie toe om Gods leiding te vragen en dan ook te accepteren. Dan is Pinksteren niet alleen maar een verjaardag van de kerk, maar ook het houvast waar alles om draait.  

1-3 of 3