Overdenkingen‎ > ‎

Pinksteren 2015

Geplaatst 27 mei 2015 12:47 door Lieneke Hagenaars-Keus
Handelingen 2:1-21  /  Johannes 15: 26-27; 16:4b-16
De Paastijd is voorbij. Vandaag is het Eerste Pinksterdag, de dag die wordt gevierd als een liturgisch keerpunt waarop de kerk nieuw leven wordt ingeblazen. 

Vandaag is het een traditie, eigenlijk zelfs een verplichting, om voor te lezen uit het boek Handelingen van de Apostelen, beschreven door Lucas. En ik heb het niet kunnen opbrengen daarvan af te wijken, dus u hebt het bekende verslag weer gehoord van de uitstorting van de Heilige Geest zoals die toentertijd werd aangekondigd – of beter gezegd: zoals het de apostelen raakte, de discipelen van Jezus die met z’n allen bijeen waren gekomen om in hun rangen een plaatsvervanger te benoemen voor Judas, die na zijn schandelijk verraad inmiddels van het toneel was verdwenen. 

Over toneel gesproken, ik weet niet of u de laatste voorstelling van theatergroep De Appel heeft gezien in Scheveningen: “Zie de Mens”. In dit stuk wordt een klemmend beeld geschetst van Jezus als mens, en niet zo zeer als de Zoon van God. De mens Jezus met zijn volgelingen, die om uiteenlopende redenen behoorlijk fanatiek of in sommige situaties zelfs enigszins recalcitrant kunnen zijn. In ieder geval levert dit veel heftige scènes op, en toen ik begon aan de voorbereiding van deze dienst probeerde ik mij voor te stellen wat de tekstschrijver ervan gemaakt zou hebben als hij ook de uitstorting van de Heilige Geest in zijn opvoering zou hebben opgenomen. Het zou er in ieder geval verre van rustig zijn geweest, want zelfs in de Bijbel kunnen we lezen dat er toen flinke paniek uitbrak bij de aanwezigen in dat huis waar de leerlingen zich hadden verzameld.  

Maar goed, De Appel heeft het niet op het toneel gebracht, dus is het zaak om mijn eigen interpretatie te lanceren. 

In de eerste plaats moest ik even denken aan een jonge collega destijds in Engeland, die behalve zijn geestelijk ambt ook een bijbaantje had bij de vrijwillige brandweer.

Op een avond werd hij plotseling opgeroepen. Hij stapte in zijn auto en reed met een flitsende snelheid keihard weg.

Al gauw kwam er een politieauto achter hem aan met zwaailichten. Bij de eerste stoplichten werd hij aangehouden. De agent vroeg hem sarcastisch: “Well, Sir? Where’s the fire? – Waar is de brand dan?”

Zonder enige aarzeling gaf de jonge predikant het adres op waar brand was uitgebroken, waarop de agent enigszins verbouwereerd reageerde met: “Oh, nou OK, volgt u mij dan maar!” 
Zo zie je maar weer: eerlijk duurt het langst!

“Where’s the fire” – Waar is de brand dan? In het Engels is ‘Where’s is the fire’ een eufemisme dat op verschillende manieren kan worden gebruikt.

Onze politieagent wilde zeggen “En wáár moeten we dan wel zo snel naar toe?” 

Anderen bezigen deze uitdrukking als ze zich afvragen waar al die opwinding nou voor nodig is.

En je kan dezelfde brandvraag ook enigszins verbaasd stellen: “Where’s the fire? Wat is er toch met je enthousiasme gebeurd – waar is je energie gebleven?” 

Elk van deze drie vragen kan betrekking hebben op Pinksteren en zou terecht kunnen worden gesteld aan iedereen die beweert tot Gods kerk te behoren. 

Want als we de tekst van vanochtend uit Handelingen natrekken, dan zou de vraag ”Hé, waar is dan die brand?” op alle drie fronten best wel eens op onszelf kunnen slaan.  

Waar is de brand? 
We lazen het: “Er verschenen aan hen – de apostelen – een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten – en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen”.  

Dit deden ze zó hartstochtelijk en met zó veel opgeklopte emotie dat omstanders dachten dat ze dronken waren. Dat bedoelde ik toen ik zei dat het daar verre van rustig toeging.

Ze brachten hun boodschap driftig en impulsief. Iedereen moest erin delen! 

Ze spraken met stemverheffing en straalden gezag en autoriteit uit.

Hun woorden waren onstuimig en intens gepassioneerd. 

Dan kan het toch geen kwaad als we even stilstaan en ons vanochtend afvragen: “Waar brandt het vuur nu dan, in onze eigen tijd?” 

Laten we eerlijk bij onszelf te rade gaan. Wat is er bij ons nog over van die dringende urgentie van de eerste ontvangers van deze goddelijke inspiratie?  Gaan we er vandaag de dag nog steeds van uit dat geloof en onze diepste gevoelswaarden een kwestie van leven en dood zijn?  Zijn we overtuigd van een eeuwig leven? 

In een wereld waar alom twijfel heerst, geloven we dat God het beste voor heeft met de mensheid? Het zijn vragen die ons bezig houden.

Als je kijkt naar de vroege kerk, dan heerste er de stellige overtuiging dat Christus spoedig weer op aarde zou terugkeren. Daarom stond je onder grote druk om zo spoedig mogelijk met God in het reine te komen. Het Christelijk geloof was toen inderdaad een kwestie van leven of dood!

Vandaag ligt dat anders. We zijn er niet meer zo zeker van dat een terugkeer van Jezus Christus imminent is. Verder leven we in een wereld die wel héél anders is dan het koninkrijk dat God ons in de Heilige Schriften heeft toegezegd. 

We zijn omringd door grove voorbeelden van onrecht, economische ongelijkheid, wijdverspreide armoede, wantoestanden en besmettelijke ziektes, honger, natuurcatastrofes – en terrorisme. 

We leven in een gewelddadige en onvoorspelbare wereld. 

Er is in onze wereld enorme behoefte aan liefde, vriendschap, vrede, medeleven, genezing, vergiffenis en verzoening.

Gods boodschap van vergeving, verlossing, genezing en liefde is vandaag nog net zo belangrijk als het ooit geweest is. En wat is er tegenwoordig dan over van die brand? Van ons vuur en onze vlam? Van ons enthousiasme en overtuiging?

We zeggen dat wij de Heer onze God liefhebben met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met geheel ons verstand. 

Waarom laten we dat niet telkens duidelijk merken en weten? Waar is de brand, het vuur, de vlam? Het enthousiasme? 

De verhalen die wij over Jezus in de Bijbel lezen noemen we “goed nieuws”. Maar zo goed kan het toch niet zijn als we het niet met anderen delen? Zodra we ergens goed nieuws, profaan nieuws horen willen we dat direct met onze vrienden en met onze omgeving delen. Het is heerlijk om goed nieuws door te vertellen. Dat kan spannend zijn. Of inspirerend. Goed nieuws kan anderen emotioneel raken. Goed nieuws komt goed over op wie het te horen krijgt. 

Waar ligt het probleem dan? Waarom spreken we dan zo weinig met anderen over ons geloof? Er zijn steeds minder mensen, jong of oud, die voldoende basiskennis bezitten over de Bijbel. Dan zouden we daar toch over moeten praten? En daar hoef je echt geen wetenschapper of theoloog voor te zijn. Ook is het zeker niet nodig om het tegen wil en dank bij nietsvermoedende luisteraars in te stampen. Het enige wat van belang is, is de bereidheid om met anderen je geloof te delen, delen wat het voor jezelf betekent. Een paar verhalen of ervaringen uit te leggen. 
Waar is ons enthousiasme, vuur en vlam gebleven? 
 
Wat ik nu zeg is overigens van algemene aard en zeker niet persoonlijk tegen u bedoeld. Bovendien is er een campagne geweest op de radio waar juist de Remonstranten mensen hebben uitgenodigd om contact met de broederschap op te nemen, te komen luisteren, van gedachten te wisselen, een persoonlijke invulling te zoeken in geloof en vertrouwen. Dat is al een belangrijke stap vooruit!

Maar om nog even in algemene termen terug te komen op mijn boodschap van vanochtend: kunnen we werkelijk zeggen dat we net zo overtuigend leven en optreden als de discipelen destijds?

Moeten we op deze Pinkstermorgen misschien niet een gebed uitspreken dat ook hier, in ons samenzijn, uit de hemel een geluid moge klinken als van een hevige windvlaag dat deze hele kerk vervult? Dat er een soort vlammen verschijnen, die zich als vuurtongen verspreiden en op ieder van ons neerzetten?

Daar moeten we wel voorzichtig mee zijn, want het zou best kunnen dat God ons gebed verhoort! En dan hebben we te maken met veel meer dan alleen maar een warm, prettig gevoel. 

Dan zouden we inderdaad een nieuwe weg inslaan en de wijde wereld in onze getuigenis laten delen!

Als antwoord op de vraag: “Waar is de brand?” is het duidelijk dat wij dan zowaar zelf in vuur en vlam staan.

Ik nodig u uit hier nog eens even over na te denken, als onze organist Jan van den Bergh voor ons op het orgel speelt.   



Comments